Lessen van de pandemie: vaarwel filmhuis, verlangen naar musea

Hoe ziet het cultuurbezoek na corona eruit? Het onderwerp kwam op CultuurPers de afgelopen maanden regelmatig aan bod. Zelf schreef ik er ook twee persoonlijke bijdragen over. Nu de culturele instellingen bijna hun deuren weer openen, maakt de blik in de glazen bol plaats voor een kijk op de realiteit.

In mijn artikel over ‘de belofte van de lege zaal’ noteerde ik een aarzeling om de vriendenpas van het filmhuis te verlengen. Die aarzeling is een definitief afscheid geworden. In het filmhuis heb ik niets meer te zoeken. Arthouse films kijk ik goedkoper en comfortabeler thuis via Netflix, NPO-plus, Picl, Pathé-thuis, Cinemember etc. bekijken.

Hieraan toegevoegd: ik ben een solitaire filmkijker. Bezoek aan een filmhuis is vaak ook een sociale activiteit. Bijkletsen onder de voorfilmpjes, na afloop met een drankje de film of nog meer lief en leed bespreken. Mijn advies aan de filmhuizen zou dan ook zijn veel meer aandacht te besteden aan dit sociale aspect.

Eerste drankje gratis

Een leuk voorbeeld hiervan is dat in mijn woonplaats (Amersfoort) met veel succes voorstellingen voor singles worden gehouden. De prijs voor de kaartjes iets verhogen en dan het eerste drankje gratis, zoals in veel theaters? Scheelt ook de lange rij bij de bar. De ‘movies that matters’ serie zorgt voor een gemeenschapsgevoel. Wellicht zijn meer thema-avonden ook een optie.

Steden met meerdere filmhuizen hebben een rijker aanbod. Wellicht zijn daar arthouse films te zien die ontbreken bij de streamingdiensten.

Het koude zweet breekt me uit

Mijn tweede schets voor CultuurPers was een ietwat ironische verzuchting naar meer comfort in het theater. Nu – een paar maanden later – kan ik me nog steeds niet goed voorstellen dat ik weer in een overvolle zaal ga plaatsnemen met nauwelijks beenruimte, beroerde stoelen, rijen bij de garderobe en/of hoestende mensen om me heen. Ik schreef toen dat ik verlang naar een theater met de luxe van een Pathé-bioscoop.

Wellicht is het een kwestie van (weer) wennen. Maar op dit moment bespeur ik geen enkel verlangen om weer een theaterzaal te betreden. Sterker nog: bij het idee alleen al breekt het koude zweet me uit. Dus voorlopig nog maar even niet.

Maar niet alles is negatief. Een langere periode van onthouding leidt ook tot verrassende nieuwe inzichten.

Met hart en ziel doorleefd

Zo schreef ik in 1 van beide schetsen dat ik het nut van het bezoek aan een concertzaal niet meer zo inzag. Cd’s of dvd’s vormden een alternatief (hear, hear Hugo de Jonge). Hoe kon ik zo dom zijn?

Voor opera maakte ik een uitzondering en het verlangen om weer live een operavoorstelling mee te mogen maken is alleen nog maar toegenomen. Ik ben een groot liefhebber van het klassieke lied en ook die concerten (als ze maar niet in zo’n benauwde theaterzaal plaatsvinden) roepen inmiddels weer als de sirenen naar Odysseus. Een ticket voor het recital van Eva-Maria Westbroek in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ is gekocht.

Natuurlijk hartstikke fijn dat het Internationale Lied Festival Zeist(ILFZ) op 6 juni een online festivaldag houdt, maar het is toch echt uitkijken naar het echte werk. Van 22 tot en met 31 oktober vindt de vijfde editie plaats. Ik kan niet wachten!

Toch ook hier een kanttekening: te vaak heb ik de afgelopen jaren concerten bezocht die ik na tien minuten alweer vergeten was. Te veel routine op het podium of te weinig aandacht van de luisteraar. De pandemie heeft de wens naar oprechtheid, een met hart en ziel doorleefde concertervaring (op)nieuw leven ingeblazen.

Omringd door een rijkdom aan cultuur

De grootste verrassing na alle corona-ellende is dat ik museumbezoek enorm heb gemist. Ik had dat – misschien mede vanwege de laagdrempeligheid – nooit hoog op de culturele ladder staan. Je hoeft niet van te voren een kaartje te kopen, bepaalt zelf het waar en wanneer van je bezoek en loopt met je Museumjaarkaart zo naar binnen. Klinkt niet naar een unieke ervaring.

Toen ik daar verder over nadacht besefte ik dat dit niet alleen met de tentoongestelde kunst te maken heeft. Natuurlijk geniet ik daar ook intens van. Maar musea hebben in de loop der jaren (voor mij) een bijkomende functie gekregen. Ik ga op een bankje zitten, omringd door een rijkdom aan cultuur, kijk naar het leven om me heen en voel me thuis.

Vroeger had ik dat bij bibliotheken. Maar sinds boeken daar een ondergeschikte rol spelen en het ‘ontmoetingsplekken’ zijn geworden voor studerende studenten hebben musea die rol overgenomen.

Ik vind in de musea verstilling en verdieping. Nog een inzicht dat de pandemie me heeft opgeleverd.