Onmacht

Een oom van mij – laat ik hem oom Jan noemen – is uit de Nederlandse drukte naar een Frans dorpje gevlucht. Ik ben er nog nooit op bezoek geweest, maar in de verbeelding is het een reisje van niks. Ik zie lege straatjes voor me, een stoffig dorpspleintje, senioren die petanque spelen. Ik geef onmiddellijk toe: mijn verbeelding is wel eens origineler geweest. Dit lijkt verdacht veel op een cliché. Overigens is petanque niets voor oom Jan. Het liefst liep hij nog als een kleine jongen achter een voetbal aan. Als zijn knieën het maar zouden toelaten.

Vroeger was hij directeur van een uitgeverij: een hectische baan met veel oppervlakkige contacten en zorgen over verkoopcijfers. Nu maakt hij ’s ochtends een wandeling of fietstochtje, luncht met een goed glas landwijn erbij, werkt ’s middags in de tuin en denkt ’s avonds na over het leven. Zijn verhuizing naar Frankrijk lijkt me een hele vooruitgang.

Ik herinner me een verhaal dat mijn vader ooit over hem vertelde. Dat hij heel erg bang was om dood te gaan. Hij lag er nachten van wakker, tot een arts hem zei dat iedereen dood gaat en dat daar nou eenmaal niets aan te doen valt. Toen was zijn angst voorbij.

Oom Jan en ik houden via de mail contact. Meestal gaat het over ongein als voetbal, maar soms wordt het ook serieuzer. Laatst schreef hij me dat hij had nagedacht over onmacht: om dingen te bespreken, te veranderen, gevoelens te uiten, de ander te accepteren zoals die is.

Hij refereerde ook aan mijn broertje die zelfmoord heeft gepleegd. Als mijn broertje de macht had gehad om over zijn problemen te praten, had hij dan nu nog geleefd? Een vraag die niet te beantwoorden is, maar wel tot denken aanzet.

Meestal eindigen oom Jan en ik onze mails met de mededeling dat we een lekker biertje gaan nuttigen. In een leven dat wordt gedomineerd door onmacht vieren we de lichtheid van het bestaan.