Onderweg naar het station zie ik een bekend iemand met een blikje bier op een bankje zitten. Omdat ik een buitenlandse krant wil kopen, geen trein hoef te halen en dus geen haast heb, stap ik af en neem naast haar plaats.

Ze vraagt of ik een slokje bier wil. Ze ziet er moe en onverzorgd uit. Ze heeft een koortslip, stinkt uit haar mond als een vuilnisbelt en door een scheur in haar broek schemert een stukje witte heup. Ik bedank voor het bier en vraag hoe het met haar gaat, wat zo ongeveer de stomste vraag is die een mens kan stellen omdat als het goed met haar zou gaan ze niet ’s ochtends in deze toestand met een blikje bier op een bankje zou zitten.

Nu lurkt ze zelf maar aan het blikje. Op dat moment rijdt er een trein voorbij, de trein die ik niet hoef te halen en die zij mist omdat ze een vriendin tegen komt met wie ze te lang blijft kletsen. Een half uur later dan afgesproken arriveert ze bij het huis van haar moeder met wie ze een hapje gaat eten.

Ze heeft een sleutel, opent de voordeur en vindt haar moeder dood op de grond. Hartstilstand. In paniek belt ze 1-1-2. Als ze haar trein wel had gehaald, had ze dan haar moeder dan nog kunnen redden? Die vraag verwoest haar leven. Ze verwaarloost haar werk, wordt vanwege huurachterstand uit haar woning gezet en slaapt tegenwoordig in de nachtopvang, zoals ze me met enige schaamte toevertrouwt.

Ik kijk naar de koortslip, ruik de vuilnisbelt, zie het blote stukje heup en bedenk dat het leven genadeloos toe kan slaan.

Onno