Tijdens mijn postronde krijg ik  bezoek van A., zijn fiets net als de mijne beladen met posttassen. Hij vraagt of ik bang ben het virus te krijgen. Zelf vreest hij vooral zijn vrouw die een schildklierkwaal heeft te besmetten.

Hij vertelt dat hij elke dag op het station een Italiaanse krant koopt. De artikelen over het virus – dat daar hevig tekeer gaat – wil hij vertalen en bundelen. Of misschien ook wel niet. Hij bewaart de kranten in ieder geval wel. Of misschien gooit hij ze ook wel weg.

A.  begint voortduren aan nieuwe projecten waarover hij besmuikt vertelt omdat hij ook wel weet dat ze nooit  worden afgemaakt.  In de tijd dat ik hem ken is hij onder meer begonnen met het lezen van de bijbel in het Hebreeuws, het schrijven van korte verhalen, het spelen op een accordeon en het vertalen van een Italiaanse novelle.

Zijn grote liefde is Go dat veel moeilijker schijnt te zijn dan schaken. Volgens de liefhebbers is het de ultieme uitdaging aan de menselijke geest. Je moet ervoor kunnen denken als een wiskundige, maar intuïtie en creativiteit spelen ook een grote rol. 

A. heeft een hekel aan computers. Toen het onmogelijke gebeurde en de wereldkampioen Go werd verslagen door AlphaGo was hij compleet van slag. Alsof de wereld definitief was overgenomen door algoritmes.  

Behalve bij de post werkt deze bijzondere, hyperintelligente man ook bij een schoonmaakbedrijf. Omdat schoonmakers tegenwoordig een diploma nodig hebben, moest hij onlangs examen doen. A. zat dagen in de stress, uit angst hiervoor te zakken.

Hij is moeilijk in woorden te vangen. Postbezorgers zijn soms vreemde vogels, maar A. is wel een hele bijzondere.

Onno