Onze nieuwe buren maken lawaai. Ze smijten met deuren, bonken de trap op en draaien muziek op discotheekvolume. Daarnaast hebben ze ook nog eens twee kippen die luid kakelend een duit in het zakje doen.

Een duit was een 17eeeuwse koperen munt van geringe waarde. Inmiddels betekent een duit in het zakje doen ergens een bijdrage aan leveren, zoals die kippen aan het lawaai van de buren, maar oorspronkelijk was het de kleinst mogelijke donatie in de collectiezak van de kerk.

In een kerk kan het er ook luidruchtig aan toe gaan, zeker toen mijn oma nog in de kerkbanken zat. Zij had op het conservatorium zang gestudeerd en zong hoog en luid boven iedereen uit, ondertussen boos om zich heen kijkend, omdat volgens haar iedereen vals zong.

Mijn opa was meer van de stilte. Als vader van negen kinderen vluchtte hij regelmatig voor de kinderherrie naar de beslotenheid van zijn zolderkamer om in alle rust aan een preek te werken. Tijdens een van zijn kerkdiensten vroeg een gemeentelid of hij wat harder kon spreken. “Ik moet niet harder praten, u moet beter luisteren,” antwoordde mijn opa.

Ik heb zelf 1 keer meegemaakt dat iemand opstond tijdens een kerkdienst. De man in kwestie vond dat mijn vader een bijbeltekst niet letterlijk genoeg nam en benadrukte dat met woest zwaaiende vuist. “De Heer is wel degelijk uit de dood opgestaan!”

Mijn vader nam een slokje water en vervolgde na een korte pauze in alle rust zijn preek. Net als mijn vader en grootvader ben ik van de stilte, hoewel ik het gillen van een sopraan zeer kan waarderen.  Dit in tegenstelling tot de herrie van de buren.

Onno