Kil

“Let’s party,” zei mijn oudste broer voor we de kerk in liepen. Hij heeft een bijzonder gevoel voor humor. Wat ik me verder nog van de uitvaartdienst van mijn vader herinner? Dat we met een jubellied de kerk weer verlieten. Alsof Feijenoord kampioen was geworden en we op weg waren naar de Coolsingel, in plaats van naar de begraafplaats en zijn graf. Zijn laatste rustplaats.

Toen ik tijdens het koffiedrinken na afloop een van de predikanten – de uitvaartdienst werd geleid door twee bevriende collega’s – erop aansprak, antwoordde die belerend: “dankzij God is de dood overwonnen. Dat mogen we vieren. Dat is ook wat je vader geloofde.”

Nou, dat weet ik zo net nog niet. Volgens mij nam mijn vader dat overwinnen van de dood niet al te letterlijk. Hij ging er heus niet van uit dat zijn leven in een hiernamaals werd voortgezet. God was liefde en de schepping begon elke dag opnieuw. Als hij door het bos liep, was er de aanwezigheid van iets dat ons mensen oversteeg. Maar misschien begreep die bevriende collega het geloof van mijn vader beter dan ik dat deed.

Hoe ik hier op kom:  van de week fietste ik voorbij de plek van mijn vaders uitvaartdienst.  Gelukkig is de kerk afgebroken en staan er nu woningen. Ik vond het een kil en naargeestig gebouw.

Het valt me trouwens op dat ik de laatste tijd veel over de dood schrijf, terwijl het heerlijk zomers weer is. Blijkbaar schrijf ik mijn vrolijkste stukjes als het twintig graden vriest en er een sneeuwstorm tekeer gaat.

Onno