Geland

In Deventer woonde ik in een groot jaren dertig huis, vlakbij de Singel. Eén van de andere bewoners was Frits Bosman. We noemden hem Fritsje. Hij leefde van een uitkering en vulde zijn dagen met slapen, bier drinken en schaken. Fritsje was een groot bewonderaar van Dostojewski. Geïnspireerd door Misdaad en Straf besloot hij de perfecte misdaad te plegen. Tegenover ons huis was een juwelier. Op een late avond zette Fritsje de voordeur open. Hij pakte de klinker die hij had meegenomen van een bouwplaats, stak de straat over, gooide de steen door de etalageruit van de juwelier en rende terwijl het alarmsysteem opgewonden begon te gillen snel weer naar binnen.

Hoe het kon snapte niemand, maar de volgende ochtend stond de politie op de stoep.

In de kamer naast me hokte een stelletje waarvan de jongen werkte op het gemeentehuis. Hun namen ben ik vergeten. Elke vrijdagavond om elf uur hoorde ik hem hijgen, dat duurde precies zeven minuten en twintig seconden en mondde uit in een luidruchtige zucht. Zijn vriendin hoorde ik nooit. Ze had er net zo goed niet bij aanwezig kunnen zijn.

Het vlindermeisje – ze had een tattoo van een dagpauwoog op haar arm – van een verdieping hoger was in haar jeugd misbruikt en had zichzelf plechtig beloofd nooit meer een man met haar mond of hand te bevredigen. Ze kreeg een appartement bij de rivier en maakte plaats voor Esther, die ruimvallende fluwelen kleding droeg en zo uit het hippietijdperk scheen te komen. Ze luisterde naar muziek van The Doors en de spooky gedichten van Jim Morrison.

Aan het plafond van mijn kamer hingen twee grote bollen die van papier-maché leken gemaakt. Met een beetje fantasie waren het ruimteschepen: de schepen van de mensen die net als ik tijdelijk in dit huis waren geland.

Onno