Rouwkaarten

“Hij leeft nog en we hebben het erg gezellig samen.”

Ik was te laat met de vraag hoe het met haar man ging en dacht dat mijn woorden waren afgeketst op de dichte deur. Maar toen ging de deur weer open en gaf ze antwoord.

Ik heb zijn toestand de laatste maanden achteruit zien gaan. Het begon met de kaarten die ik door de bus gooide. Mensen die schreven dat ze erg geschrokken waren door het nieuws, sterkte wensten, hoopten op herstel.

Daarna zag ik hem met het hoofd gebogen op een stoel in de kamer zitten. Altijd op dezelfde stoel, in dezelfde houding.

Het huis ligt achterin mijn postwijk. Het heeft een grote, slecht onderhouden tuin. Als ik het hekje opendoe  komt er een grote logge hond op me afgestormd. Toen de hond nog een puppy was, vertelde de vrouw me dat ze hem goed ging opvoeden. Daar is weinig van terecht gekomen.

Het gaat iets beter met de man. Af en toe kijkt hij op vanuit zijn stoel en zwaait naar me. Ik zwaai terug en zie zijn kaalgeschoren schedel. Op een zonnige dag zit hij met de vrouw en een bevriend echtpaar in de tuin.

Of is hij de piekerfase voorbij, probeert hij iets van het leven weer op te pakken, terwijl de ziekte zwijgend slopend zijn werk doet?

Hij leunt op zijn auto en overlegt met zijn zoon hoe ze de rolstoel kunnen inladen. In de kamer staat nu een bed. Traplopen zal niet meer lukken. Soms hoef je geen helderziende te zijn om in de toekomst te kunnen kijken. Straks is de rolstoel niet meer nodig en ligt hij hele dagen in het bed. Daarna is het wachten op de rouwkaarten die ik door de bus moet gooien.

Onno