In de bus kijkt hij onrustig om zich heen. Hoewel hij de enige passagier is, lijkt hij toch de hele tijd bang dat iemand hem lastig zal vallen. Aan de rand van het bos stapt hij uit. Langs het pad meent hij  sporen van het wroeten van wilde zwijnen te zien. Die kunnen erg agressief zijn met hun slagtanden, zeker als ze jongen hebben. Hij versnelt zijn pas en passeert een open plek waar een hoogzit staat. Het bunkertje bovenaan de ladder wordt door jachtopzieners gebruikt om grofwild te observeren of af te schieten. Hij begint nog sneller te lopen, tot hij buiten hun schootsveld is. Aan het einde van het pad beginnen de Korte Duinen. Hij sjokt door het mulle zand en bereikt een eilandje van bomen. Vermoeid zakt hij tegen een stam omlaag.

Hij sluit zijn ogen: vanuit het donker komt een enge gestalte op hem af. Het heeft een doodshoofd en lange magere armen en benen die in hoeken staan alsof ze zijn gebroken. De gestalte wordt groter tot hij bijna zijn hele gezichtsveld in beslag neemt. Nu hoort hij ook de hoge jammerklanken. Hij opent snel zijn ogen, maar dat had hij beter niet kunnen doen. Want in het licht vliegen nog veel meer enge gestalten op hem af. Ze groeien en groeien tot ze vlakbij hem zijn en spatten dan op het allerlaatste moment uitelkaar. Hun gejammer zwelt aan tot oorverdovend gekrijs. Van alle kanten bestoken de gestalten hem.

Zijn lichaam wordt de volgende ochtend gevonden. Er zijn geen sporen van geweld te zien en bij autopsie komt ook geen natuurlijke doodsoorzaak aan het licht. Uiteindelijk wordt maar besloten dat hij gewoon met ademen is gestopt.